Slagschip Siem

ColumnGijsdeSwarteCrdtsDavidBronkhorst

SLAGSCHIP SIEM

Column: Gijs de Swarte

In de supermarkt aan het Marie Heinekenplein wordt een politieserie opgenomen. Ik zie het klassieke tv-koppel; de oudere ervaren rechercheur en de jongere, straatwijze collega die zijn vuisten nog wel eens wil laten spreken. Een acteur die aan Harry Piekema, het reclamepersonage van Albert Heijn doet denken, praat opgewonden op ze in. Tot de regisseur het afbreekt.
‘Manuel, je bent kwaad’, zegt hij tegen Piekema. ‘Je wil dat ze wat gaan doen.’
Dan hoor ik: ‘Hee man’, kijk om, en zie Siem staan met een pak vla en een stapeltje Daklozenkranten in zijn hand. Hij houdt de kranten omhoog als hij ziet dat ik er naar kijk, en zegt: ‘Nog altijd een beetje illegaal hè.’
‘Wat bedoel je?’
‘Tegenwoordig heb ik wel een dak.’

Siem – mijn beste vriend op de middelbare school; we keken naar brave Engelse politieseries en hij deelde de boeken en films die hij wel al had gelezen en gezien. Death in Venice, veel begreep ik er niet van maar ook dat was meegenomen. Slagschip Siem noemde ze hem omdat hij grote voeten had, en met zijn eeuwige sandalen overal tegenaan liep en instapte. In de eerste klas schreef hij, wat hij zelf, een Thomas Mann monoloog noemde. Dat lag al moeilijk genoeg, maar dat hij het in de pauze voordroeg met een zwierige hoed op en een lange sjaal om, bleek een risico dat je in een klas vol pubers niet ongestraft kon nemen. Siem was behalve briljant ook een grappenmaker en als ze hem Slagschip noemden ging hij breeduit lopen en expres tegen van alles aanstoten. Maar hij huilde ook veel, werd snel boos en probeerde dan andere kinderen over de tafels te smijten, wat gelach opleverde omdat hij wel groot was maar geen vechtersbaas.

Ik kwam vaak bij hem thuis. Zijn ouders aten dier- en menslievend, biologisch dynamisch, maar maakten beestachtig ruzie… en scheidden. Zijn vader ging iets vaags vrijwilligs doen met afkickprogramma’s en verdween uiteindelijk in die wereld. Zijn moeder maakte de bedden niet meer op. De w.c. was te vies – en bril-loos – ondertussen in tegenstelling tot Siem. Op de toneelschool werd hij niet aangenomen. Hij studeerde nog even wat gogisch en kwam via een kraker met speed in aanraking. Afspreken ging niet meer.

Ik zag hem nog een paar keer; nerveus, zwetend en luidruchtig in Lijn 25. Op straat tijdens een winter, met blote voeten in afgetrapte sandalen, wegduikend voor de klappen van een winkelier bij wie hij een pak vla gestolen had. Ik rekende- en hij taaide af – zonder iets te zeggen. – En veel later in het Sarphatipark met een overall aan van een gemeentelijke schoonmaakploeg. Hij wilde me niet meer herkennen en daar liet ik het bij.

Nu heeft hij dure Nike’s aan en ik hoop dat hij ze niet gestolen heeft. Siem ziet dat ik ze zie en zegt: ‘Nee dat gaat niet nee.’ Als we opkijken staat er een productieassistente naast ons en rijkt hem een paar afgetrapte sandalen aan: ‘Deze ok, Siem?’. Een visagiste poedert zijn gezicht. De regisseur komt aanlopen: ‘Siem, wat wil je? In jouw script staat dat Manuel je meteen die klap geeft maar we kunnen het misschien ook buiten doen – en dat je dan eerst wegrent.’
‘Doen we’, zegt Siem, en terwijl hij mij veelbetekenend aankijkt: ‘Ik heb het vermoeden dat het in het echt, ook best wel eens zo zou kunnen gaan.’

Close Comments

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.